Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF5235

Datum uitspraak2003-04-15
Datum gepubliceerd2003-07-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01134/02
Statusgepubliceerd


Indicatie

15 april 2003 Strafkamer nr. 01134/02 EdK/IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 2001, nummer 21/001658-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie ...


Conclusie anoniem

Nr. 01134/02 Mr. Machielse Zitting 25 februari 2003 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 31 augustus 2001 vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van f 5.000,- en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld. Tevens zijn de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. 2. Namens de verdachte is van mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te Den Haag, op 26 september 2002 ter griffie van de Hoge Raad een schriftuur ingekomen houdende één middel van cassatie. Dit cassatiemiddel is door mr. J.M. Sjöcrona bij brief van 12 februari 2003 evenwel ingetrokken. 3. Het voorgaande brengt mee dat de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, zodat niet in acht is genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte kan derhalve niet in het beroep worden ontvangen. 4. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

15 april 2003 Strafkamer nr. 01134/02 EdK/IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 2001, nummer 21/001658-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. 1.2. Bij brief van 12 februari 2003 heeft mr. J.M. Sjöcrona bericht het ingediende middel in te trekken. 1.3. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep. 2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Namens de verdachte is door zijn raadsman een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend. Dit middel is nadien door die raadsman namens hem ingetrokken. De verdachte heeft aldus weliswaar in overeenstemming met art. 437, tweede lid, Sv binnen de daarin bepaalde termijn bij de Hoge Raad door zijn raadsman een in dat artikel bedoelde schriftuur doen indienen, doch nu, als gevolg van de intrekking van het middel geen middel van cassatie meer resteert, kan de verdachte in het beroep niet worden ontvangen (vgl. HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 110). 3. Beslissing De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 april 2003.